Caspian
Een zesde album simpelweg Caspian noemen is een passende keuze. Na zes jaar zonder nieuwe volledige plaat grijpt de band uit Massachusetts terug op de eigenschappen die zijn muziek altijd al sterk maakten. De zes instrumentale stukken zoeken geen nieuwe identiteit. Ze laten vooral horen hoeveel ruimte er nog zit in de bestaande.
Hiraeth opent met heldere gitaarlijnen en een brede, rustige sfeer. De muziek klinkt open, zonder leeg te worden. Elke nieuwe laag krijgt daardoor de ruimte om iets toe te voegen. Far Country volgt met een warme melodie die iets van folkmuziek heeft. De gitaren houden het klankbeeld rijk, maar verliezen hun contouren niet. De emotie ontstaat uit het samenspel en de opbouw, zonder dat een zanger hoeft te vertellen wat je erbij moet voelen.
In het langere Remain krijgt die geduldige manier van schrijven volop ruimte. Een terugkerende melodie biedt houvast terwijl de spanning eromheen verandert. Daardoor voelt de ontlading verdiend. A Great Fire laat de gitaren scherper uitpakken, terwijl No One Left to Tell wisselt tussen een donkerder basgeluid en lichtere gitaardetails.
Een deel van de aanpak is vertrouwd. Rustige passages krijgen meer gewicht, de gitaren waaieren uit en de ritmesectie draagt het geheel naar een groter moment. Wie dat verloop voorspelbaar vindt, zal hier waarschijnlijk niet van mening veranderen. Caspian overtuigt door de zorg en het gevoel binnen die vorm, zonder hem steeds te hoeven doorbreken.
Waltz for the End sluit af met een lichtere driekwartsbeweging die goed past bij het rustige zelfvertrouwen van de plaat. Met ongeveer 39 minuten weet het album bovendien wanneer het genoeg heeft gezegd. Je kunt erin opgaan zonder dat een lange sfeerpassage als huiswerk gaat voelen.
Caspian is een warme en gerichte terugkeer. De band vertrouwt op melodie, samenspel en de ruimte die een goed idee nodig heeft om zich te ontwikkelen.
